Villa Keetje Tippel: interviews

VILLA KEETJE TIPPEL

door Monica Soeting - De Volkskrant (2 juni 2001)
Foto's: Lukas Göbel

Er bestaat een oude ansicht van de omgeving van het Belgische dorpje Genk, gemaakt in 1900. Rechts op de voorgrond liggen twee heren in schilderachtige houding op de hei. Op de achtergrond, aan het eind van uitgestrekte velden, zie je nog net het dorp. Een kerk, een molen, een paar huizen en een aantal boerderijen - meer was Genk rond de eeuwwisseling niet. Dat het op een kaart werd afgebeeld, is te danken aan de vele kunstenaars die zich door het dorp en zijn schitterende omgeving lieten inspireren. Onder hen de kunstschilder Emile van Doren (1865-1949), een van de mannen op de foto. In 1898 kocht hij het Hôtel des Artistes, een geliefde pleisterplaats onder schilders en toeristen.

Helaas was het met het pittoreske gauw gedaan. In 1901 werd in de nabijgelegen gemeente As een steenkolenlaag ontdekt. Binnen enkele jaren ontstonden in Genk drie mijnen. Duizenden arbeiders werden aangetrokken. Voor hen legden de mijnbonzen zelfstandige woonwijken aan, voorzien van scholen, kerken en ziekenhuizen. Om de kolen te transporteren, werd dwars door het Genkse landschap een kanaal tussen Luik en Antwerpen gegraven. Een spoorwegstelsel completeerde het systeem.

‘Ik heb nooit anders geweten dan dat er in mijn geboorteplek Genk gebouwd en verbouwd werd,’ schrijft de Belgische schrijver Stefan Brijs. ‘Vanuit mijn wieg, in een kamer op de eerste verdieping van een bescheiden flatgebouw nabij het centrum, kon ik dertig jaar geleden al zien hoe er aan de andere kant van de straat grote woonsilo’s verrezen en toen ik eenmaal de kleuterjaren voorbij was en ingemetseid zat tussen metershoge bakstenen muren, vluchtten mijn ouders met mij naar een huis in een wijk - een paar kilometer verderop - waar het pleister nauwelijks droog was. Terwijl ik opgroeide, ontstond in de achtertuin alweer een andere wijk, van mijn intussen al verouderde wijk gescheiden door een spoorweg die naar het nieuwe station liep.’

Er werd niet alleen veel gebouwd in Genk, er werd ook veel afgebroken. Hôtel des Artistes werd aan de bouw van dure flats opgeofferd. Alles wat aan het voormalig schildersparadijs herinnerde, is langzamerhand verdwenen. Alles, op één gebouw na.

Op de top van een heuvel staat in een verwilderde tuin een statige, witte villa. Of beter: er is nog net te zien dat de villa ooit statig en wit is geweest. Planken bedekken de ramen van de benedenverdieping en de muren zitten vol graffiti. De binnenkant is er nog slechter aan toe. In de voormalige salon hebben junks vuurtjes gestookt; hun gebruikte naalden liggen in een hoek. Roet bedekt de muren, en de vloeren liggen vol gruis. De trap is verdwenen; je kunt nog net zien hoe hij zich ooit naar boven heeft gewenteld. Dit is Chalet des Houx, bijgenaamd Villa Keetje Tippel; ooit het buitenhuis van de schrijfster Neel Serigiers-Doff (1858-1942), in België en Nederland beter bekend als Keetje Tippel.

Neel Doff en haar man Georges Serigiers hoorden tot de vaste gasten van Hôtel des Artistes. Verliefd geworden op het heidelandschap en de berkenbossen lieten ze in 1908, nog voor de verwoesting van Genk en omgeving, aan de rand van het dorp een villa bouwen. Ze noemden het huis naar de metershoge hulst die rond het huis groeide.

In Genk bracht het echtpaar de zomers door. In de winter bleven ze in de stad, eerst in Antwerpen, later in Brussel. Na de dood van Georges Serigiers in 1930 hield zijn weduwe de villa aan. Het huis werd haar toevluchtsoord. Hier vond ze de rust om te schrijven; hier voltooide ze op 50-jarige leeftijd haar debuut Jours de famine et de détresse, haar autobiografie. Zeven boeken volgden, waaronder Keetje en Keetje trottin, letterlijk vertaald ‘Keetje, het loopmeisje’, waarmee Doff naar haar eerste baantje als hoedenbezorgster verwees. Haar boeken kregen goede kritieken; Jours de famine et de détresse werd in 1910 voor de prestigieuze Prix de Goncourt voorgedragen.

Na de Tweede Wereldoorlog raakten Doff en haar boeken vergeten. Tot vertaler Wim Zaal in 1972 Keetje en Keetje trottin tot één boek samenvoegde, en het Keetje Tippel noemde. Drie jaar later maakte Paul Verhoeven een film met de gelijknamige titel. Neel Doff werd in een klap opnieuw beroemd. Behalve in Genk.

Het katholieke gemeentebestuur van Genk wenste zich de voormalige prostituee niet te herinneren. Anders dan in haar Zuid-Limburgse geboorteplaats Buggenum, werd er geen straat naar haar genoemd. Van een monument kon al helemaal geen sprake zijn. De villa werd verkocht, verbouwd en opnieuw verkocht; de laatste koper was het socialistisch ziekenfonds De Voorzorg, dat de villa doorgaf aan Katarsis, een stichting voor alcohol en drugsverslaafden. Katarsis wilde de villa tot afcickcentrum ombouwen. Dat plan stuitte op protest, niet alleen van de buurtbewoners, maar ook van het Vlaams Blok, die de commotie rondom de villa als verkiezingsslogan misbruikte: ‘Vlaams Blok is en blijft gekant tegen het opvangcentrum voor drugsverslaafden in de Villa Keetje Tippel te Genk!’

Het gemeentebestuur besloot de bouwvergunning niet toe te kennen. ‘Het project’, heette het, ‘past niet in de stedelijke ontwikkeling van het centrum van Genk en de bestemming van het gebouw is niet verenigbaar met de wijk. Het ziekenfonds vocht de beslissing aan, de gemeente ging in beroep en uiteindelijk belandde de zaak bij de hoogste instantie, de Raad van State. In afwachting van een oordeel staat het huis langzamerhand te vervallen.

Gelukkig is er iemand die zich om het lot van Chalet des Houx bekommert. Toen Stefan Brijs van de toestand van de villa hoorde, besloot hij er een boek over te schrijven. Villa Keetje Tippel werd een verhaal over de geschiedenis van Genk, en een middel in de strijd om het behoud van de villa. Maar het is vooral een eerbetoon aan Doff.

In Villa Keetje Tippel, dat in juni verschijnt, vertelt Brijs hoe belangrijk Villa des Houx voor Doff was. Uit het boek: ‘Jarenlang hield ze in Genk dagboeken bij, noteerde allerhande beschouwingen en schreef verschillende verhalen met de Kempen als decor en zijn bewoners als hoofdrolspelers. Zo ontstonden onder meer La petite femme et ses enfants, Campine, Dans nos bruyeres en Une fourmi ouvriere. Deze verhalen en boeken, waarvan slechts een klein deel in het Nederlands werd vertaald, hadden echter nooit hetzelfde succes als de trilogie over haar jeugd, enerzijds omdat ze literair van mindere kwaliteit waren en anderzijds omdat de inhoud niet meer zo aangrijpend was. Toch blijken ze nu, vele jaren later, een uitstekend getuigenis te vormen van hoe het toen op het platteland toe ging en zijn ze in die zin een waardevol tijdsdocument. Voeg daar nog de vele openhartige brieven aan toe die Neel Doff schreef vanuit haar villa in Genk aan haar vrienden in Brussel en Antwerpen, en er ontvouwt zich niet alleen de geschiedenis van een boerendorp en zijn inwoners maar ook van een vrouw die in haar hoofd een burgerdame was, maar in haar hart altijd een pauperskind bleef.’

Brijs (32) woont nog steeds in Genk. Niet in een nieuwbouwwijk, maar aan een van de weinige vennen die nog zijn overgebleven. In zijn woonkamer staat sinds enkele weken een 40 centimeter hoge, massief bronzen klok. Het is de klok van Villa des Houx, door Neel Doff ooit aan de gevel aangebracht om in noodgevallen alarm te slaan. Op een zondag is Brijs hem met hulp van zijn buren gaan halen. ‘Het werd tijd’, zegt hij. ‘Van de twee beugels waarmee de klok aan de balk hing, was er een volledig doorgeroset en de andere zo goed als. Een flinke windstoot of gewoon enkele weken tijd en de klok was acht meter naar beneden gestort, waarschijnlijk in stukken, zoniet meteen gejat en verpatst.’ Hij belooft de klok terug te bezorgen zodra de villa in haar oude staat is hersteld. ‘Ik voel me opgelucht. Ik denk dat ik hiermee, voor de nagedachtenis van Neel Doff, een even groots werk, zoniet groter, heb verricht als met het schrijven van mijn boek.’

Brijs heeft een passie voor Doff ontwikkeld. ‘Je kunt Doff geen groot schrijfster noemen’, zegt hij. ‘Het ontbrak haar aan talent verhalen te creëren. Maar daar gaat het niet om. Haar boeken maken indruk omdat ze uit zelfbehoud schreef. Daarom heeft zij ook tot haar 50ste gewacht. Als er een iemand in haar boeken gewoond heeft, dan was zij dat. Zij schreef om te bestaan.’

Doff had op haar 50ste een roerig bestaan achter de rug. Haar vader, ‘een Fries van zes voet lang, slank en veerkrachtig als een berkeboom’, zoals ze hem beschreef, was alcoholist. Haar moeder, een knappe Luikse, kreeg het ene kind na het andere. ‘Hun schoonheid’, schrijft Brijs, ‘was het enige dat Neel van haar ouders meekreeg. Voor het overige sleurden ze haar mee in hun uitzichtloze bestaan van armoede en ellende. De vele baantjes van vader Doff brachten het gezin van Limburg naar Amsterdam, en van Amsterdam naar Brussel.

Neel ging op haar 12de werken. Een van haar werkgevers, een hoedenmaker, verkrachtte haar toen ze 14 was. Daarna rolde ze de prostitutie in; later werd ze schildersmodel. In 1882 ontmoette ze in een Brussels atelier de sociaal bewogen Fernand Brouez, zoon van een rijke notaris. Hij maakte een dame van Neel. Hij liet haar taallessen nemen en bracht haar omgangsvormen bij. Toen hij in 1897 aan een ernstige ziekte bleek te lijden, trouwden ze. Brouez stierf in1900, zijn vrouw achterlatend als rijke, maar eenzame weduwe. Tien maanden later ging zij een verstandshuweïijk aan met de Antwerpse advocaat Georges Serigiers.

Doff was nu volkomen geaccepteerd in de burgerlijke kringen van Antwerpen en Brussel. Toch voelde ze zich door haar verleden achtervolgd. In haar zomers in Chalet des Houx vond ze de rust om na te denken en tot zichzelf te komen. Lyrisch was ze over het natuurschoon om haar heen: ‘De nachten in mijn tuin, die baadt in de heerlijke geur van rozen en dennen, zijn paradijselijk. In de hulststruiken zingen de nachtegalen. Ik heb twee concerten per avond, het ene begint zodra de schemering valt en het andere een uur later en duurt dan tot diep in de nacht.’

In de villa ontving Doff haar vrienden. De dichter Jan Greshoff en zijn vrouw kwamen, en de journalist Franz Hellens, die samen met Greshoff Doffs Franse vertaling van Couperus' Van oude menschen, de dingen die voorbijgaan, corrigeerde.

Met de inwoners van Genk had Doff nauwelijks contact. Ze verafschuwde hun gebrek aan hygiëne, en ze haatte hun gehoorzaamheid aan de katholieke kerk. Onaangekondigd bezoek kreeg te horen dat mevrouw niet thuis was, en wie bieef aandringen kreeg de honden op zich afgestuurd. ‘Villa opgepast bellen uit oorzaak van de hond’ werd de bijnaam van de Villa des Houx.

Doff maakte één uitzondering. Als ze naar het dorp wandelde, kwam ze langs de boerderij van de familie Vangeneugden, waar ze eieren kocht en zich tot een praatje liet verleiden. Ze trok zich het lot van het gezin aan en bemoeide zich met de opvoeding van de kinderen. Volgens Brijs had ook dat met de herinneringen aan haar eigen armzalige jeugd te maken: Doff wilde de kinderen Vangeneugden voor ervaringen als de hare behoeden. Dat ging zover, dat ze hen eigenhandig in bad stopte. ‘Wanneer ik een mooi vuil kind zie’, schreef ze in La petite femme et ses enfants, ‘wil ik het met veel water wassen tot al het vuil verdwenen is. Het kan me niet schelen of het daarbij schreeuwt, ik laat het niet los voor het eruitziet zoals ik het wil.’

Doff gaf het gezin Vangeneugden raad én geld. Zo zorgde ze ervoor dat Maria, de oudste dochter, met vakbondsman Ief Bollen kon trouwen. Maria en haar gezin trokken bij haar in en bouwden na enkele jaren met Doffs hulp een huis in de buurt. Op den duur werd de familie Bollen belangrijker voor Doff dan zij voor hen - vooral Jef begon zich al gauw aan haar bemoeizucht te ergeren; Doff op haar beurt maakte zich kwaad over de spilzucht van de familie.

Brijs portretteert Doff als een intelligente, hartstochtelijke en getormenteerde vrouw. Een vrouw die Multatuli las, maar die met evenveel plezier urenlang in haar tuin zat te breien. Een vrouw ook die met haar overlevingsdrang diepe indruk op haar vrienden maakte. ‘Wie haar niet persoonlijk gekend heeft’, schreef Greshoff, ‘heeft een van de merkwaardigste schouwspelen des levens gemist. Nimmer ontmoette ik een vrouw van in de zeventig, die, ondanks lichamelijk lijden, nog al de levensdrift, de heftigheid, en de behaagzucht der jeugd had behouden.’

‘Ik heb op het punt gestaan’, bekent Brijs, om in mijn boek te schrijven: "ik zou hebben willen vrijen met de 25-jarige Neel Doff, en willen praten met de 75-jarige Neel Doff". Ze was een heel knappe vrouw, een beeldje - zelfs toen ze oud was. Bovendien had ze een intellectuele zowel als een niet-intellectuele kant - ik herken dat. Als je haar brieven leest, voel je die spanning in haar. Ze was ook heel gevoelig. Meermaals dacht ik: god, wat moet die vrouw hebben afgezien.’

Wat als de Villa des Houx toch wordt afgebroken? Dan verdwijnt volgens Brijs niet alleen het enige cultuurmonument dat Genk rijk is, maar ook de herinnering aan Doff zelf. ‘Als je haar boeken en haar brieven leest, voel je hoe belangrijk de villa voor haar was. En als je de villa gezien hebt, kun je je voorstellen wat een pracht dat geweest moet zijn. Als ze hier kwam, viel alles van haar af. Waarom zou ze hier anders nog naartoe gekomen zijn toen zij 80 was. In 1936 schreef ze: "Ik denk niet dat ik hier nog terug kom." Maar de volgende zomer was ze er, hoe ziek en ellendig ze aan het eind ook was, en de zomer daarna ook nog. Elke keer vond ze de kracht om met heel haar hebben en houden van Antwerpen naar Genk te reizen. Haar ziel zit in de villa. Als die verdwijnt, haal je een stuk Neel Doff van de aardbodem.’

"IK VOEL HAAR PIJN"

door Els Debodt - Het Belang van Limburg (2 juni 2001)
Foto: Luc Daelemans

Dertig jaar lang, van 1908 tot 1939, bracht de schrijfster Neel Doff de zomers door in Chalet des Houx, een prachtige villa in hartje Genk. De villa dankt, net als Neel Doff, haar bekendheid en naam vooral aan de geruchtmakende film 'Keetje Tippel' van Paul Verhoeven uit 1975. Maar ondanks die film weten weinig Genkenaren hoe Keetje Tippels echte naam luidde, noch kennen ze de geschiedenis van de villa of van die van haar bewoonster. Meer zelfs, wat ooit Neel Doffs droomwoning was, is nu nog slechts een trieste bouwval. ’s Nachts bevolkt door junkies die er een vuurtje stoken met de restanten van de houten vloeren. Op een van de buitenmuren grijnslacht een cocaïnesnuivende Bert uit Sesamstraat, door de vernielde ramen op de eerste verdieping groeit klimop naar binnen.

Binnen baan je jezelf voorzichtig een weg langs ingetrapte deuren en kasten en vloeren bedekt met puin, scherven, vodden, opengesneden colablikjes en injectienaalden. Op een met graffiti bekladde schouw staat eenzaam een nauwelijks gebruikte rol wc-papier, aan een rottende balk hangt een touw met een knoop erin. «De villa was jarenlang eigendom van de NV Kolenhaven, een dochtermaatschappij van de Kempense Steenkoolmijnen,» zegt Stefan Brijs. «Toen de laatste bewoners na de definitieve sluiting van de mijn van Winterslag in 1988 het huis verlieten, bleek de gemeente Genk niet geïnteresseerd in de aankoop van de villa en het omliggende park. Het bestuur van de NV Kolenhaven besloot om de villa dan maar te slopen. Dat nieuws haalde de nationale pers en trok de aandacht van de directeur van ontwenningscentrum Katarsis. Die was op zoek naar een grotere locatie voor het het centrum en de bedreigde villa leek hem uitermate geschikt. Maar de gemeente weigerde Katarsis een bouwvergunning toe te kennen onder het mom dat ‘het project niet past in de verdere stedelijke ontwikkeling van het centrum van Genk’ en meldde dat ‘de bestemming van het gebouw niet verenigbaar is met de wijk.’ Waarop een kat-en-muisspel losbarstte tussen de gemeente, de NV Kolenhaven en Katarsis. Nu, tien jaar later, ligt het lot van de villa nog altijd in handen van de Raad van State en staan bouwpromotoren te trappelen om de zaak met de grond gelijk te maken en er flatgebouwen neer te poten.»

Brijs: «Ik heb altijd ergens in mijn achterhoofd wel geweten dat in Genk een Villa Keetje Tippel stond, maar ik heb eigenlijk nooit het verband gelegd met de schrijfster Neel Doff. Tot ik twee jaar geleden in Het Belang van Limburg een artikel las met als titel ‘Villa Keetje Tippel dreigt te vervallen’. Ik wist meteen dat ik daar een boek over zou maken, of er toch in elk geval een artikel over zou schrijven.»

«Er is een biografie van Neel Doff, maar de jaren die zij in Genk doorbracht, komen daarin nauwelijks aan bod. Ik vermoed dat Evelyne Wilwerth, de Franstalige auteur van die biografie, geen Nederlands kende en geen onderzoek in Genk heeft gedaan. Toen ik eenmaal doorhad dat er nog zoveel te vertellen viel over de jaren die Neel Doff in Genk doorbracht, wist ik: dit is stof voor een boek. Want als er al iets geschreven was over haar jaren in Genk, was het in negatieve zin. Zij had enkel de naam in haar boeken ‘brutaal, kleinerend en beschamend toestanden en personen te beschrijven’. Dat cliché wilde ik doorprikken. Neel Doff verdiende beter.»

Op basis van haar romans, dagboeken en brieven en met behulp van Benny Vangeneugden, bibliothecaris in Genk en nazaat van de familie Vangeneugden, het boerengezin dat op een boogscheut van Chalet des Houx woonde en dat Neel Doff regelmatig opvoerde in haar boeken, reconstrueerde Stefan Brijs zorgvuldig de laastste dertig jaar uit het leven van de schrijfster. «Ik heb me al vaak de vraag gesteld waarom nooit eerder iemand dit boek heeft geschreven. Ik ben ervan overtuigd dat als de villa in om het even welke andere stad had gestaan, dit verhaal al lang verteld was geweest. Het lijkt alsof men heeft gewacht tot er een Genkse schrijver opstond die het aandurfde.»

Net als in ‘Kruistochten’ (1998), waarin hij de toestand van de vaak verwaarloosde graven van door hem bewonderde schrijvers aanklaagt, geeft Brijs in ‘Villa Keetje Tippel’ uiting aan zijn ongenoegen over de toestand van villa ‘Chalet des Houx’ en de bouwwoede van de stad Genk. «Ik heb het boek niet uit woede geschreven; het is geen afrekening. Ik vind enkel dat deze zaak aangekaart móet worden. Dat huis is de bron voor zoveel verhalen; in de geschiedenis van Neel Doff vond ik de geschiedenis van Genk, mijn eigen geschiedenis, die van de burgerij, van het opkomend socialisme… en nu staat het op instorten. Men had van die villa zo’n mooi museum kunnen maken, niet alleen een Neel Doff-museum maar ook een heemkundig museum. De stad Genk doet helemaal niets aan het conserveren van haar verleden en dat neem ik haar kwalijk. Door een nieuw cultureel centrum van 1 miljard neer te poten, wil men nu een ander en groter publiek aantrekken. Maar zo werkt dat niet, je moet vertrekken van de basis, eerst je eigen geschiedenis promoten, door een mijnmuseum, door een Neel Doff-museum op te richten en pas daarna kun je nieuwe dingen initiëren. Van mijn part mogen ze 100 appartementsgebouwen optrekken, als ze ook iets doen aan de restauratie van historisch belangrijke, bestaande gebouwen.»

«Vreemd is ook dat niemand Neel Doffs verhaal kent, terwijl mensen als Felix Timmermans en Camille Huysmans hier geschiedenis schreven. Tijdens de – trouwens allereerste burgerlijke – begrafenis van Georges Serigiers, Neel Doffs tweede echtgenoot, heeft Camille Huysmans hier op het kerkhof namens de socialistische partij een speech voorgelezen. Geen enkel ander dorp of stad kan zeggen dat ze getuigenissen hebben van de allereerste burgerlijke begrafenis mét een speech van Huysmans.»

Brijs heeft bewust pas nadat hij al enkele hoofdstukken had geschreven, de villa voor het eerst bezocht. «Ik wist dat ze vervallen was maar niet dat ze in zo slechte toestand verkeerde. Het was alsof ik een klap in mijn gezicht kreeg. Je staat daar en je denkt: ‘Hoe heeft men dit zo ver laten komen?’ Zeker als je weet dat zowat elke priester, tot de Bruggeling Guido Gezelle toe, in die buurt een eigen straat heeft gekregen. Terwijl Genk nooit meer zo’n grote schrijver in huis zal hebben. Of ik zou zelf mijn best moeten doen. (lacht).»

Inmiddels is Brijs vaste klant ten huize ‘Chalet des Houx’. Meermaals per week klautert hij over de omheining en inspecteert hij de villa. Een maand geleden ging hij zelfs verder dan dat. «Net onder de dakgoot hing de grote klok die Neel Doff driekwart eeuw geleden tegen de gevel liet bevestigen. Je zag zo dat die klok elk moment naar beneden kon vallen en daarom heb ik beslist om ze te stelen.

Ik ga altijd uit van de vraag: ‘wat zou Neel Doff daarvan gedacht hebben?’. Als ik in de villa ben, zie ik haar; ik voel de pijn die zij zou voelen als ze het huis nu zag. Daarom heb ik op een stille paaszaterdag met twee handlangers de klok naar beneden gehaald. Enkele dagen later kreeg ik de directeur van Katarsis aan de lijn. ‘Die klok zou dringend moeten weggehaald worden,’ zei hij. ‘Ik heb hem’, zei ik. Ik zag hem door de telefoon wit wegtrekken. ‘Wees blij dat ik hem naar beneden heb gehaald, voor hij door de junkies wordt meegnomen en verpatst’, zei ik. Bleek dat hij de klok een centrale plaats wou geven in het nieuwe afkickcentrum dat De Voorzorg ooit zal bouwen. De klok zou er dienst doen als noodklok, een bestemming die ze ook ten tijde van Neel Doff al had. Als een van de junkies of alcoholverslaafden het gevoel heeft dat hij de situatie niet meer aankan of dat hij wil stoppen met de behandeling moet hij de klok luiden zodat alle hulpverleners en lotgenoten weten dat ie in nood is. Zelf had ik de klok gestolen met het idee hem terug te hangen als de villa gerestaureerd wordt, maar ik vond het initiatief van De Voorzorg zo mooi dat ik van plan ben om hem tijdens de presentatie van het boek officieel te overhandigen aan het afkickcentrum. We noemen haar ‘Klokke Keetje’ en tot er ooit museum komt, blijft ze in het centrum. Ik ben ervan overtuigd dat Neel Doff dat ook zo gewild zou hebben.

Ik ga altijd uit van de vraag: ‘wat zou Neel Doff daarvan gedacht hebben?’. Als ik in de villa ben, zie ik haar; ik voel de pijn die zij zou voelen als ze het huis nu zag. Daarom heb ik op een stille paaszaterdag met twee handlangers de klok naar beneden gehaald. Enkele dagen later kreeg ik de directeur van Katarsis aan de lijn. ‘Die klok zou dringend moeten weggehaald worden,’ zei hij. ‘Ik heb hem’, zei ik. Ik zag hem door de telefoon wit wegtrekken. ‘Wees blij dat ik hem naar beneden heb gehaald, voor hij door de junkies wordt meegnomen en verpatst’, zei ik. Bleek dat hij de klok een centrale plaats wou geven in het nieuwe afkickcentrum dat De Voorzorg ooit zal bouwen. De klok zou er dienst doen als noodklok, een bestemming die ze ook ten tijde van Neel Doff al had. Als een van de junkies of alcoholverslaafden het gevoel heeft dat hij de situatie niet meer aankan of dat hij wil stoppen met de behandeling moet hij de klok luiden zodat alle hulpverleners en lotgenoten weten dat ie in nood is. Zelf had ik de klok gestolen met het idee hem terug te hangen als de villa gerestaureerd wordt, maar ik vond het initiatief van De Voorzorg zo mooi dat ik van plan ben om hem tijdens de presentatie van het boek officieel te overhandigen aan het afkickcentrum. We noemen haar ‘Klokke Keetje’ en tot er ooit museum komt, blijft ze in het centrum. Ik ben ervan overtuigd dat Neel Doff dat ook zo gewild zou hebben.»

HET VERVAL VAN VILLA KEETJE TIPPEL

door Peter Winkels - Dagblad de Limburger (8 juni 2001)
Foto: Rob Oostwegel

Twee dingen wilde Stefan Brijs met zijn boek Villa Keetje Tippel: de verwording van Genk van boerendorp in de Kempen tot mijnstad beschrijven, en het leven schetsen van schrijfster Neel Doff die er ’s zomers woonde in haar buitenhuis. Maar Villa Keetje Tippel is ook een vorm van protest.

Om bij de villa te komen, negeren we een bord waarop verboden toegang staat. We moeten eerst over het hek klimmen en ons een weg banen door de sterk verwilderde tuin, die parkachtige allures heeft. Eenmaal binnen worden we geconfronteerd met een troosteloze puinhoop. Het pand is volstrekt uitgeleefd, alles van waarde is weg. Via een uiterst wankele trap zonder leuning bereiken we een beetje angstig de eerste verdieping. Als we bekomen zijn van de schrik, laat Stefan Brijs trots de slaapkamer van Neel Doff zien.

In dit huis schreef ze het grootste deel van haar oeuvre. Tien jaar geleden kon de gemeente Genk het pand voor een half miljoen gulden aankopen. Dat vond men te duur. De nieuwe eigenaar werd een socialistisch ziekenfonds, dat er een afkickcentnim van wilde maken. De buurt verzette zich succesvol met steun van het gemeentebestuur, gedomineerd door de katholieke CVP. Nu hebben verslaafden en zwervers de eens zo trotse villa veranderd in een ruïne.

Neel Doff kwam er voor het eerst in 1908. Ze was toen vijftig en niet onbemiddeld. Dat was wel eens anders geweest. Neel Doff werd in 1858 geboren in Buggenum. Al snel vertrok het armoedige gezin uit de Midden-Limburgse plaats om via onder meer Amsterdam in Brussel terecht te komen. Omdat haar ouders nauwelijks voor het gezin konden zorgen, verdiende zij er korte tijd haar geld in de prostitutie.

Haar eerste man, een schatrijke, sociaal bewogen notariszoon, hielp haar op de maatschappelijk ladder omhoog en zette haar aan zich verder te ontwikkelen. Dat deed haar tweede man, Georges Serigiers, eveneens. Met hem kwam Neel Doff voor het eerst naar Genk, waar een aantal schilders graag verblijf hield. Tot haar dood in 1942 was ze gedurende langere perioden in het dorp in de Kempen en genoot er van het buitenleven, dat haar inspireerde om te schrijven.

Stefan Brijs (1969), geboren en getogen in Genk, waar hij nog steeds woont, debuteerde in 1997 met de roman De verwording. Verleden jaar volgde het succesvolle Arend. Voor de dagbladen De Morgen en De Standaard schrijft hij regelmatig over vergeten literatoren. Een aantal van die essays werd verzameld in Kruistochten (1998). Wat zette hem in het spoor van Neel Doff en Villa Keetje Tippel?

"Typisch iets voor Genk, dacht ik, toen ik in de krant las dat het huis dreigde te vervallen. Is er zo’n villa van een schrijfster, doen ze er niets mee! Ik was benieuwd naar het verhaal erachter. Daarom ben ik me gaan verdiepen in het leven van Neel Doff en ontdekte dat er weinig bekend is over haar verblijf in Genk, terwijl het grootste deel van haar oeuvre hier ontstaan is.

Ik ben alles van haar gaan lezen, vooral in het Frans, omdat er weinig vertaald is. Ook haar dagboeken. Ze schetst een beeld van Genk, realistisch en natuurgetrouw, maar ook heel hard. Bijna expressionistisch. Dat vond ik heel bijzonder, omdat ik Genk zo op een andere manier leerde kennen. En het was de juiste manier.

Ze was een vrouw die hier had gewoond en haar tijd ver vooruit was. De pastoor bepaalde alles, het geloof leidde de mensen. Ze vond dat bekrompen en enggeestig en wilde ingrijpen. Het werd niet aanvaard, ook omdat ze niet naar de kerk ging. Dat was een frappant verhaal en ik leerde er Neel Doff goed door kennen als een gevoelige maar ook gestrenge vrouw, die dingen wilde veranderen. Dat werd haar niet in dank afgenomen.

Uit de brieven, die ze hier schreef, kreeg ik ook een goed beeld. Ze heeft de hele geschiedenis van Genk beschreven. Uit haar raam zag ze de opkomst van de mijnen. De geschiedenis van Genk en de geschiedenis van Neel Doff lopen door elkaar. Ik moest het boek schrijven, ook omdat de villa compleet vervallen was."

"Het huis heet eigenlijk Chalet des Houx. De naam Villa Keetje Tippel, die het in de volksmond kreeg, hangt natuurlijk samen met de mythe rond Neel Doff. Dat heeft ook alles te maken met de film van Paul Verhoeven uit 1975. Tot dan was er eigenlijk weinig over haar bekend hier. Wim Zaal heeft in 1972 fragmenten uit haar boeken Keetje en Keetje trottin vertaald als Keetje Tippel, daarmee werd haar geschiedenis weer opgerakeld.

Ze is natuurlijk uit bittere armoede in de prostitutie terecht gekomen, ze had geen keuze. Maar in de beeldvorming is er alleen de hoer Neel Doff. In Buggenum is dat nog aan de orde geweest toen ze daar een straat naar haar wilden noemen. Het is uiteindelijk gelukkig wel gebeurd. Die korte periode als prostituee is maar een klein aspect van haar hele rijke leven. Dat beeld is bepalend, dat geef ik in mijn boek ook even aan, maar voor de rest probeer ik te laten zien hoe ze was, de gevoelige burgerdame, die haar jeugd nooit kon vergeten en daarom juist anderen uit de ellende probeerde te trekken.

Eigenlijk was Neel Doff als schrijfster al vergeten toen ze stierf. Haar debuut, Jours de famine et de détresse (1911, vertaald als Dagen van honger en ellende), had veel succes. Met Keetje (1919) en Keetje trottin (1921) was dat al minder. Haar carrière begon hoog en zakte langzaam in. Ze is vergeten en eenzaam gestorven. Dankzij de vertaling van Wim Zaal is ze weer een beetje bekend geworden, maar dat is nu ook weggeëbd."

"Neel Doffwas niet zo'n auteur als ik het ben: ik verzin boeken, dat is mijn leven. Zij bestond vooral in haar boeken. Door te schrijven kreeg ze greep op haar leven. Ze heeft gewacht tot haar vijftigste eer ze haar jeugd van zich af schreef, ze moest dat kwijt. Je ziet goed dat het geen fantasie is. Het is sterk doorleefd. Neel Doff heeft dat in die burgerkringen nooit tegen iemand kunnen vertellen. Haar eigen man schrok zelfs, toen hij in haar boek las wat ze allemaal had meegemaakt.

Opeens was ze schrijfster en moest verder schrijven. Ze had geen inspiratie meer. Het enige wat ze deed was hier in de Kempen rondkijken en aantekeningen maken over hoe haar tuin was en hoe vuil de kinderen van de buren waren. Dat haalde niet meer het literaire niveau van haar eerste romans. Het is nu wel een uniek tijdsdocument, je leert er Genk uit kennen.

In en rond deze villa is geschiedenis geschreven, hier zijn schrijvers van naam op bezoek geweest als Greshof en Timmermans. Dit had een museum moeten worden. De gemeente heeft een unieke kans voorbij laten gaan. Dat heeft te maken met de mythe rond Keetje Tippel. Neel Doff heeft in Genk ook nooit een straatnaam gekregen. Ze is een soort schandvlek waar men hier nooit iets mee te maken wilden hebben. Ik hoop dat mijn boek

daar verandering in brengt. Je had in Villa Keetje Tippel een museum kunnen onderbrengen, niet alleen over Neel Doff, maar ook over de geschiedenis van Genk. En het uitbreiden naar andere schrijvers in beide Limburgen die over de Kempen en over de steenkolenmijnen hebben geschreven. In die zin is mijn boek ook een polemiek: cultuur begint bij het verleden,

bij de rijkdommen die je hebt. Dat vergeten ze hier, de bestuurders kijken alleen maar naar nu. Maar de villa is niet meer te redden." Zeker nu het huis in het weekend na ons bezoek door brand verder is verwoest.

NEEL DOFF VERDIENT BETER

door Maurice Vanhoyland - Het Nieuwsblad (9 juni 2001)
Foto: Johan Eyckens

"De plannen om een afkickcentrum in de Villa Keetje Tippel onder te brengen kunnen de redding betekenen van dit huis."

Dat hoopt de Genkse schrijver Stefan Brijs. Hij schreef een boek over Neel Doff, de Nederlandse schrijfster van onder meer Keetje Tippel, die lange tijd woonde in de naar haar genoemde villa. Maar tegen de achtergrond van de verlaten en vervallen villa wegen Brijs' woorden licht. "Ik vrees dat mijn boek te laat is gekomen", mijmert hij.

Stefan Brijs stelde donderdagavond zijn vierde boek Villa Keetje Tippel voor. Het is een biografie van de schrijfster Neel Doff.

Zij verbleef in haar Genkse villa van 1908 tot 1939, telkens in de zomerperiode. Stefan beschrijft tegelijk de geschiedenis van Genk, dat veranderde van een schilderachtig boerendorpje tot een industrieel centrum.

Waarom Stefan de geschiedenis van Neel Doff neerschreef? "Veel mensen kennen de film Keetje Tippel. Maar hoeveel mensen weten dat de schrijfster Neel Doff achter deze figuur zit. En hoeveel Genkenaren, denk je, weten dat diezelfde Neel Doff lange tijd in Genk, in de "Chalet des Houx", zoals de villa vroeger heette, verbleef."

Ook Brijs associeerde tot voor enkele jaren de villa niet met Keetje Tippel en Neel Doff. Vorige week nog werd vuur gesticht op de eerste verdieping van de villa, die in de loop van de jaren al flink vervallen geraakte. De eens zo statige villa is niet meer of minder dan een krot; een trefpunt ook voor drugsgebruikers die het daar naar hun zin blijken te hebben.

"Maar ook een krot dat deel uitmaakt van een rechtzaak voor de Raad van State", weet Brijs. Tijdens de voorstelling van zijn boek maakte hij gewag van de politieke strijd die woedt over de bestemming van dit, eens zo prachtige en statige bouwwerk. De buurt en de CVP-meerderheid zien liever geen afkickcentrum in de residentiële wijk.

Stefan is de plannen van de vzw Katarsis wèl genegen. Die organisatie van socialistische signatuur wil er een drugontwenningscentrum huisvesten.

"Het zou een zegen zijn geweest voor de villa", kijkt Brijs uit op de sterk verwilderde tuin. "Bovendien zou het een eerbetoon zijn geweest aan een dame die als kind opgroeide in armoede en prostitutie en die op 50-jarige leeftijd haar schrijverscarrière begon. Ideaal zou geweest zijn om een museum rond de figuur van Neel Doff in deze villa uit te bouwen."

Volgens Brijs zou dit getuigen van een doordacht beleid op maat van de Genkenaar, in plaats van de prestigeprojecten waaraan het stadsbestuur werkt. "Dat is pas de manier om cultuur naar het volk te brengen. Niet zoals dat weldra in Genk gebeurt, door een volledig nieuw cultureel centrum te bouwen, op papier gezet door buitenlandse architecten en met een prijskaartje van één miljard."

Nog tijdens de voorstelling deed de schrijver Ward Lambrechts, de man achter het drugontwenningscentrum Katarsis, een klok "Klokke Keetje" cadeau.

"Tijdens een van de vele bezoeken aan de villa en de omliggende tuin zag ik een oude klok tegen het huis hangen. Nog even en het kleinood zou naar beneden gedonderd zijn. Ik heb de klok dan maar verder los gemaakt; en hier is ze dan. Ik schenk ze symbolisch aan de vzw Katarsis, in de hoop dat de vzw ooit een onderkomen zal vinden in de villa. Een verslaafde die het niet meer ziet zitten, zou dan de klok kunnen luiden."

Maar dat is weinig realistisch, vreest Brijs. "Ik denk niet dat Katarsis ooit een onderkomen zal

vinden in de Villa Keetje Tippel. Daar komt mijn boek wat te laat voor. En toch zouden we Neel Doff de eer moeten bewijzen die ze verdient. Ik vraag daarom aan de gemeente: Geef Neel Doff wat haar toekomt. Geef haar een eigen laan, een eigen plein, een standbeeld... ze verdient het."

"VILLA KEETJE TIPPEL IS STERVENDE"

door Emile Hollman - Limburgs Dagblad (7 juli 2001)

Haar naam was dus niet Keetje Tippel. Maar Neel Doff. Het meisje dat in 1858 werd geboren in het Limburgse Buggenum en via Tilburg en Amsterdam in Brussel belandde. Het pauperskind dat van lieverlede in de prostitutie terechtkwam, maar stierf als dame van stand. Neel is allang dood, sinds 1942 om precies te zijn. Het lijkt nog maar een kwestie van weinig tijd en ook haar prachtige buitenhuis in Genk bestaat niet meer. Of zou het boek over de zomers die Neel Doff er doorbracht dat nog tegen kunnen houden? Romancier Stefan Brijs (31) stapt bepaald niet voor de eerste keer over het hek van Villa Hulst of Chalet des Houx zoals de villa in de betere kringen genoemd werd. Vanaf de weg is het pand vrijwel aan het zicht onttrokken. Niet in de laatste plaats door de hoge hulststruiken die Neel Doff zelf ooit plantte ten einde gluurders geen kans te geven. Maar bij het verkennen van de volkomen verwilderde en overwoekerde tuin, stuit Brijs vandaag voor het eerst op het hondenhok. De acaciabomen hebben sommige roestige spijlen van het hok opgeslokt in hun stam. Er worden enkel nog brandnetels gevangen gehouden. Brijs is er verrukt over. Vanuit dit hok werden de honden losgelaten toen de deken van Genk zich op 25 april 1930 aan de poort meldde na het overlijden van Neels echtgenoot, de gekende socialist en advocaat Georges Serigiers. Ze moest niets hebben van papen en zwartrokken. Het ontzielde lichaam van Serigiers werd niet zoals gebruikelijk langs de kerk van Genk gereden, maar via een zandweg door de velden richting kerkhof. Het was de eerste niet-kerkelijke begrafenis in de geschiedenis der gemeente Genk. Stefan Brijs wijst. Dáár zat ze te schrijven, in díe kamer overleed haar echtgenoot. De villa verkeert in erbarmelijke staat. Twee dagen voordat de schrijver hier zijn boek presenteerde, werd er brand gesticht. Misschien om sporen te wissen, want tijdens de bluswerkzaamheden vond de politie in een van de vochtige kelders een compleet ingericht boevenkwartier. Op deze mooie zomerdag is het binnen in de villa een soort Bosnië. De bovenverdieping is door de verkoolde en vermolmde trappartij niet meer begaanbaar. Door de plafonds vallen stralen zonlicht naar binnen; het is er tochtig en smerig. De muren zijn gesigneerd door de laatste bewoners: drugsverslaafden. 'Politics Sucks' is op de ontkalkte muur gekalkt. En dat is dan misschien het enige waarmee Brijs hierbinnen vrede kan hebben. Want de gemeente had volgens hem veel eerder moeten ingrijpen. "Nu kunnen hooguit de gevels gered worden," bittert Brijs. Over Neel Doff zijn al heel wat boeken volgeschreven. Allereerst natuurlijk haar eigen boeken, die je vooral moet zoeken in antiquariaatswinkels. Ze verwoordde haar jeugd in (Franstalige) boeken als Jours de famine et de détresse, Keetje en Keetje trottin. Het eeuwige verhaal: groot gezin, pa aan de drank, met de hele sliert en de armetierige huisraad van baan naar baan en van stad naar stad sjokken, honger, ziekte, ellende kortom en de kinderen van lieverlede aan lager wal. Net als haar oudste zus belandde Neel in de prostitutie. Zij stelde het later, op adem gekomen in de gegoede milieus, allemaal te boek. Het was de Nederlandse vertaler Wim Zaal die in 1972 onder de noemer Keetje Tippel Doffs boeken over haar jeugd bijeenbracht. Van trottin, - loopmeisje - dat verwees naar haar baantje als hoedenmaakster, maakte hij 'Tippel'. Cineast Paul Verhoeven draaide drie jaar later de speelfilm Keetje Tippel met Monique van de Ven in de hoofdrol. Hoe dan ook, van Keetje Tippel heeft de schrijfster zelf nooit weet gehad. Dan zijn er nog de boeken die over Neel Doff verschenen, biografieën in 1992 (Evelyne Wilwerth) en 1993 (Eric Defoort). Maar daar nam de Genkse schrijver Stefan Brijs geen genoegen mee. Want zijn eigen stad speelt in die boeken nauwelijks een rol, terwijl Neel Doff van 1908 tot 1939 elke zomer in de in haar opdracht gebouwde Villa Hulst woonde en werkte. Niet dat chauvinistische motieven hier een rol spelen, want Brijs spreekt met gepassioneerde afschuw over zijn stad. Zijn aandacht voor de villa werd zes jaar geleden gewekt door een artikel over vervallen graven. Vlot kwam hij erachter dat er nog veel over Neel Doff te vertellen viel. De bestaande biografen hebben zich vooral geworpen op haar droeve en spectaculaire jeugd. Maar waarom dan niet alle dozen nog eens omgegooid en meteen maar de ultieme biografie geschreven? "Omdat ik een schrijver ben en geen biograaf. Ik heb het geduld niet om een hele biografie te schrijven. Ik wil schrijven en niet jaren lang in archieven neuzen. Ik heb liever dat ze alle informatie kant en klaar aan de deur afleveren en dan schrijf ik het verhaal wel. Ik wilde vooral schrijven over de villa." Het verhaal van de villa is ook het verhaal van de stad Genk geworden. En het verhaal van Genk lijkt dan weer aardig op dat van Heerlen. Een ingeslapen boerendorpje tussen goudgele aren in de lome zomers in het begin van de vorige eeuw. De schrijver Eugeën Leen beschreef de plaats ooit als volgt: 'Genck behaagt door zijn wild en tegelijk lief uitzicht: de heuvels, de moerassen, die klare en snelvlietende beekjes, die prachtige bosschen schijnen uit een oceaan van heideplanten op te komen en verkrijgen daardoor eene bevalligheid, die moeilijk te verklaren is'. Hij heeft het voorts over schilderachtige valleien en dalen bedekt met bloemen of als goud schitterend struikgewas. 'Nergens vindt men, zoo denken wij, de aangrijpende dichterlijkheid der woeste oorden (...)'. Kom daar maar eens om, anno nu.

'De steenkoolwinning heeft hier meer verwoest dan de Eerste Wereldoorlog', schrijft Brijs ergens in zijn boek. Vanaf de dag dat er steenkool werd gevonden, ging de landelijkheid aan flarden. Er kwamen verharde wegen, een kanaal, een spoorlijn, immigranten, gelukszoekers, nieuwe wijken, de zogenaamde cité's, rondom de mijn. Net als Heerlen: in geen tijd van dorp tot stad. De zomerbewoonster kon de opkomst van de mijnindustrie letterlijk zien groeien. Vanuit de villa met het zadeldak die ze in 1908 op de heuvel langs de huidige Nieuwstraat had laten bouwen, kon ze de schacht zien waaromheen later de cité's verschenen, de mijnwerkershuisjes. Toch schreef ze bitter weinig over de opkomst van de industrie. Neel Doff schreef liever over de natuur, over de inwoners van Genk en dan met name (vaak stiekem) over de enorme boerenfamilie Vangeneugden. Mensen die ze liefhad, maar ook verafschuwde vanwege hun gebrekkige hygiëne en hun gehoorzaamheid aan de kerk. Stefan Brijs ontdekte dat de beschrijvingen een realistisch beeld geven van Genk in de eerste helft van de vorige eeuw. Maar was Neel Doff een groot schrijfster? Auteur Jeroen Brouwers verweet haar bijvoorbeeld 'larmoyante kletsmeierij en irritant moralisme'. Brijs zelf maakt in zijn boek gewag van sentimentaliteit die het won van de nuchterheid en dat op die momenten haar proza geen hoger niveau haalde dan dat van een puberdagboek. Hoewel hij evengoed woorden in de mond neemt als 'gedurfd', 'eerlijk' en realistisch'. Brijs: ''De eerste boeken over haar jeugd waren zeer leesbaar. Terecht heeft Wim Zaal indertijd die drie boeken van Neel Doff bijeengeveegd. Dat had een redacteur al veel eerder moeten doen. Haar echtgenoot corrigeerde haar werk weliswaar, maar meer dan het doorhalen van fouten moest dat niet zijn. Er zaten te veel herhalingen in haar boeken." In Frankrijk kon ze altijd rekenen op welwillende kritieken. In 1910 werd ze genomineerd voor de prestigieuze literaire Prix de Goncourt. Later moest ze het vooral hebben van critici die ze persoonlijk kende en tegen het lijf liep in de literaire salons van Brussel. Ze verslond ook een boel uitgevers. In Nederland werd nauwelijks aandacht aan haar werk besteed. Maar dat had vooral te maken met haar keuze voor de Franse taal, de taal van haar nieuwe stand. Brijs denkt dat Wim Zaal met zijn Keetje Tippel Neel Doff uit de vergetelheid heeft gehaald. ''Keetje Tippel heeft een enorme klank gekregen. Als ik mijn boek Villa Hulst had genoemd, zou er geen kat naar omkijken. Nu heb ik over aandacht niet te klagen en loopt het boek als een tierelier." Brijs is er van overtuigd dat het foute imago, alsof het een hoerenkot is geweest, de villa uiteindelijk de das heeft om gedaan. De gemeente Genk wordt al sinds mensenheugenis geregeerd door de katholieke CVP. Misschien hebben die de verhitte debatten in de gemeenteraad van Buggenum destijds gevolgd toen het ging om het vernoemen van een straat naar Neel Doff. Hoe dan ook, het gemeentebestuur heeft nooit een poot uit gestoken. Een uitspraak die burgemeester Jef Gabriëls weerspreekt. ''Wij hebben nooit het aanbod gekregen om de villa te kopen. Dat de villa zo onderkomen is, mag de eigenaar worden aangerekend." De burgemeester zegt respect te hebben voor de 'bekommernis van Stefan' en dat hij zich kan voorstellen dat hij in al zijn jeugdig enthousiasme de gemeente de schuld geeft niet te helpen de villa te redden. Vraagje aan de schrijver: is het wel de moeite waard om het huis overeind te houden ter ere van Neel Doff? Rechtvaardigen haar literaire prestaties dat? Zeker, ze was een gedreven schrijfster, leidde een tot de verbeelding sprekend leven en haar moed en doorzettingsvermogen mag ons allen tot voorbeeld strekken, maar later, zo blijkt ook scherp uit het zeer leesbare boek van Stefan Brijs, werd ze een echte ouwe zeur die haar zelfhaat afreageerde op de kleine boeren in de omgeving. Ze kleineerde ze ergerlijk, maar was vaker ook vrijgevig, behulpzaam en gastvrij. Brijs waagt zich niet aan een al te grondige psychoanalyse van Neel Doff. ''Ik laat haar liever zelf aan het woord. Als je wil verklaren waarom ze zo vanuit de hoogte deed, moet je in het ijle zoeken." Nee, Brijs ziet geen heil in een Neel Doff-museum of zo. Hij pleit voor een gebouw waar de historie van de stad Genk in wordt bewaard en waar Neel Doff haar plaats krijgt. Brijs ergert zich dat de historie van Genk onder de zoden wordt geveegd. ''In Beringen is een mijnmuseum, maar dat had natuurlijk in Genk moeten liggen. Verder is er het Emile van Dorenmuseum, maar ook alleen maar bij de gratie van diens dochter die een pand aan de gemeente heeft geschonken. Maar ook het gerenommeerde Hotel des Artistes dat de kunstschilder Van Doren bestierde en waar Neel vermoedelijk voor het eerst in Genk logeerde, is met de grond gelijkgemaakt. Om ruim baan te geven aan luxe-appartementen." En de burgemeester, denkt hij dat Doff van historisch belang is geweest voor de stad Genk? ''Ik denk dat zij belang heeft gehad voor de literatuur in het algemeen. Stefan beschrijft haar zeer lief, maar ze sprak wel Frans, de taal van de bazen en baronieën. En dat voor iemand van Nederlandse afkomst. Dat wordt als bekakt beschouwd. Tijdens haar leven was ze niet betekenisvol voor Genk, ze had weinig of geen contacten met de bevolking. Later, na haar dood, toen haar boeken weer werden gelezen, heeft ze de stad wel een positieve betekenis verleend." Dit is het wat Stefan Brijs nog het meeste stoort: dat Genk een grote bouwput is. Overal staan borden die spreken van multi development coörporation. En alles wat uit die put komt, is smakeloze nieuwbouw die de weinige gebouwen met historische betekenis in de verdrukking duwen. Ook hier gaat de vergelijking met Heerlen op. ''Genk is de stad met de lelijkste skyline van België." Met genoegen constateert hij dat de bevolking eindelijk de mond roert. ''Er is heibel omdat er een flat dichtbij de Martinus-kerk wordt gebouwd. Je mag hier overal ongestoord een flatgebouw planten, maar niet voor de kerk," stelt hij cynisch vast. ,,Ik voel me steeds minder verbonden met de stad. Ik kan niet meer tegen de mentaliteit. Ik zou de politiek in kunnen gaan, maar dan zou ik ziek worden. Het machtsblok van de CVP is te groot. Maar niemand die daar iets tegen durft te ondernemen.

Iedereen heeft hier wel een familielid die door de CVP aan werk is geholpen. Er is veel ondergronds ongenoegen, maar het blijft bij gemompel. Laatst vroeg iemand me, toen hij hoorde van mijn kritiek op de stad: ''Zeg, ben jij wel een echte Genkenaar?!" Nee, heb ik gezegd. Nee, als dat betekent dat ik mijn mond niet meer mag opendoen." Terwijl we van nieuwbouwproject naar nieuwbouwproject door de stad lopen, wijst hij en passant een huis aan. Een plaquette aan de muur vermeldt dat hier de eerwaarde Remans is geboren. ''Elke priester heeft zijn straat, maar ter gedachtenis aan Neel Doff is hier niets. Ja, de onderkomen villa van Neel Doff." Maar burgemeester Gabriëls heeft goed nieuws. ''Want we hebben hier een tekort aan vrouwelijke plaatsnamen. Alles zal wel op zijn pootjes terechtkomen. Ik heb bovendien in augustus nog een gesprek met een instantie die ik nog niet wil noemen, die wellicht geïnteresseerd is om de villa te kopen. Voor de gemeente zelf is de prijs te hoog." Maar nog even en er hoeft geen woord meer gesproken te worden. Dan dondert het zaakje in elkaar en kan de projectontwikkelaar die al openlijk heeft gelonkt naar de grond, eindelijk weer een nieuwe put slaan. In de ziel van Stefan Brijs. In de historie van Genk.